De pootafdruk van je harige huisgenoot

Een retourtje Gran Canaria slingert zo’n 870 kilogram broeikasgassen de atmosfeer in en dat is net zoveel als een middelgrote hond elk jaar doet. De ecologische pootafdruk is het (huis)dierlijke equivalent van onze voetafdruk. Oftewel, de impact van een levensstijl op de aarde en het milieu. Meestal wordt dit uitgedrukt in hoeveel grond en water er per jaar nodig is om in iemands consumptiebehoeften te voorzien. Net als bij mensen is de ecologische pootafdruk een optelsom van verschillende factoren. Het voer van onze huisdieren heeft hierin verreweg het grootste aandeel. Honden en katten zijn van oorsprong vleeseters en daar hangt een prijskaartje aan.
3 miljoen katten
Volgens een peiling uit 2022 wonen er 3 miljoen katten en 1,8 miljoen honden in Nederland [1]. Voor elk van die katten is jaarlijks 0,4 tot 0,7 hectare grond nodig om hun voer te produceren; voor elke hond is dat 0,9 tot 3,7 hectare [2]. Ter vergelijking: de voetafdruk van de gemiddelde Nederlander is 4,9 hectare per jaar. Met een of meerdere viervoeters in huis, vergroot je de milieu-impact van je huishouden dus aanzienlijk.
De meeste honden en katten krijgen kant-en-klare brokken of blikvoer voorgeschoteld. Daar zitten dierlijke producten in verwerkt. Voor het grootste deel zijn dat restproducten van de vleesindustrie, zoals beendermeel en orgaanvlees. Die zijn namelijk goedkoper dan spiervlees. Restproducten gebruiken lijkt efficiënt: de diervoederindustrie verwerkt netjes het ‘afval’ van onze vleesindustrie en veroorzaakt zo geen extra ecologische impact. Het vee werd immers toch al gehouden en geslacht.
Honden en katten zijn van oorsprong vleeseters en daar hangt een prijskaartje aan
Verdere intensivering
De werkelijkheid is minder zwart-wit. Die restproducten zijn namelijk niet zo waardeloos als vaak wordt gedacht. Als ze niet in diervoeder terechtkomen, kunnen ze prima een ander nut dienen, bijvoorbeeld verwerkt worden tot biogas of tot producten voor humane consumptie. Restproducten hebben dus een economische waarde. De vraag ernaar voor in diervoeders draagt bij aan een verdere intensivering van de veehouderij, wat tot een grotere ecologische impact leidt.
Daar komt bij dat restproducten geen efficiënte voedingsbron zijn. Er is meer volume van nodig om honden en katten in hun eiwit- en energiebehoefte te voorzien dan wanneer zij alleen spiervlees zouden eten. Om uit restproducten voldoende energie te halen, is tot bijna twee keer zoveel vee nodig [3].
Meer vlees
Moeten we onze viervoeters dan alleen nog maar spiervlees gaan voeren? Nou, nee. Voor alleen humane consumptie is de intensieve veehouderij al niet meer houdbaar. Als miljoenen honden en katten met ons gaan concurreren, drijft dat de intensivering van de veehouderij – en daarmee de vergroting van de ecologische pootafdruk – alleen maar op.
Die concurrentie is er voor een deel nu al. Diervoederfabrikanten stoppen spiervlees in hun voeders, omdat dat aantrekkelijk klinkt voor de consument. Met name premium merken voegen veel vlees toe om eigenaren aan te spreken die ‘het beste’ voor hun dier willen. Dat beste staat in hun ogen gelijk aan veel eiwit.
Met meer vlees komen we er dus niet. Wat nou als we onze viervoeters op een plantaardig dieet zetten? In theorie is dat goed mogelijk. Honden en katten zijn vleeseters, maar dat betekent niet dat hun lichaam per se vlees nodig heeft. Het zijn bepaalde aminozuren, vetzuren, vitamines en mineralen die het lichaam verlangt. Waar die nutriënten vandaan komen, maakt weinig uit zolang er maar voldoende aanvoer is. Wel is het zo dat het gebit en verteringsstelsel van carnivoren zijn gespecialiseerd in vleesverwerking. Met name de kat is niet uitgerust om planten makkelijk te verwerken.
Een klein deel van de honden in Nederland eet al vegetarisch
Toch zetten we het gedachtenexperiment nog even door. Als alle katten en honden in de wereld plantaardig gingen eten, zou er een oppervlakte aan landbouwgrond vrijkomen ter grootte van Argentinië [3]. Met de opbrengst daarvan zou je ruim een half miljard mensen van eten kunnen voorzien. De uitstoot van broeikasgassen door de vee-industrie zou met 7 procent omlaaggaan. Om nog maar niet te spreken van de bijna 2 miljard dierenlevens die elk jaar gespaard zouden blijven. Dat maakt nogal een verschil in ecologische impact.
Volwaardig plantaardig
Ondanks de beperkingen van het verteringsstelsel, is de stap naar een plantaardig dieet voor onze pluizige huisgenoten niet eens zo groot. Honden- en kattenvoeders bestaan al voor een deel uit plantaardige ingrediënten, zoals granen, maïs en soja. Deze voedingsstoffen leveren gemiddeld twee derde van de energie in het voer [3]. De toevoeging van dierlijke producten is vooral nuttig om de aminozuren en vitamines te leveren die weinig in planten voorkomen. Met gevarieerde plantaardige ingrediënten en supplementen is het echter haalbaar om de nodige nutriënten bij elkaar te verzamelen zonder dierlijke producten te gebruiken.
Een klein deel van de honden in Nederland eet al vegetarisch. Dankzij een lange geschiedenis van samenleven met mensen kunnen ze goed met dit dieet overweg. Hoewel ze afstammen van de carnivore wolf, is hun genetische samenstelling namelijk veranderd. Tot ongeveer een eeuw geleden aten honden gewoon met de pot mee, en die was vaak rijk aan koolhydraten en zetmeel. Hun verteringsenzymen hebben zich daarop aangepast, waardoor de honden van nu beter koolhydraten kunnen verteren dan hun voorouders dat konden [4]. Een plantaardig dieet met granen kunnen ze daarom in principe prima verdragen.
Toevoegingen en tekorten
Voor katten is het een ander verhaal. Zij zijn strikte carnivoren omdat ze sommige nutriënten – die alleen in dieren zitten – niet zelf kunnen aanmaken. Dit zijn met name de aminozuren arginine en taurine, het vetzuur arachidonzuur en de vitamines A en B12. Ook halen katten meer dan honden hun energie uit aminozuren. Daar komt bovenop dat zij niet dezelfde geschiedenis als de hond kennen waarin ze koolhydraten hebben leren verteren.
Een plantaardig dieet voor katten moet dus lekker veel eiwit bevatten en alle essentiële toevoegingen krijgen. Inmiddels zijn er al complete vegan voeders voor katten verkrijgbaar. Een blik op de voedingswaardentabellen leert echter dat het met die toevoegingen niet altijd goed gaat.
Tekorten in het voer geven op de lange termijn gezondheidsproblemen zoals blindheid, hartfalen, een slechte vacht en darmproblemen. Doordat deze problemen pas na jaren tot uiting komen, is er nog weinig bekend over mogelijke schadelijke gevolgen van een vegan dieet voor onze huisdieren.
Onnatuurlijk
Los van wat er in theorie mogelijk is en de onzekerheid over hoe veilig het is, komt er ook een stukje ethiek om de hoek kijken. Gaan we onze carnivore huisgenoten echt een plantaardig dieet opdringen om te compenseren voor onze eigen overvloedige levensstijl? Veel mensen roepen dat het onnatuurlijk is. Dat argument houdt echter niet lang stand. Hoeveel van het leven van een huisdier is wel natuurlijk? Ze brengen het grootste deel van hun dagen binnen door, krijgen medische zorg als ze ziek zijn en hoeven nooit hun eigen eten te zoeken.
Ook de samenstelling van traditionele voeders is weinig natuurlijk als je die vergelijkt met de samenstelling van een prooidier. Het gehalte spiervlees en eiwitten is een stuk lager; zo laag, dat ook aan de gebruikelijke voeders vitamines – en bij kattenvoer ook taurine – worden toegevoegd om een volwaardig dieet te vormen. Als een kat mag kiezen, geeft die de voorkeur aan een dieet met 52 procent eiwitten [5]. De meeste commerciële voeders zitten rond de 30 procent. Het meest overtuigende argument om niet plantaardig te gaan voeren, is misschien dat we het leven van onze huisdieren niet nóg onnatuurlijker moeten maken dan het al is.
De helft van de honden en katten in Nederland kampt met overgewicht
Een onsje minder
Een vegan kat gaat voor de meesten nog te ver, maar er is gelukkig nog een andere manier om de impact van huisdieren wat te dempen. We kunnen een grote slag slaan door onze viervoeters minder eten te geven. De helft van de honden en katten in Nederland kampt namelijk met overgewicht. Respectievelijk 8 en 10 procent is zelfs obees [6]. Dit is niet alleen ongezond voor de dieren, die net als mensen vatbaar zijn voor diabetes en andere secundaire aandoeningen, het weerspiegelt ook een verspilling van kostbare nutriënten. De hectaren landbouwgrond die voor dit ‘weggegooide’ voedsel nodig waren, hadden ook hongerige mensenmonden kunnen voeden.
Concurrentie
Minder en plantaardig voeren lijken een goede manier om de ecologische pootafdruk van onze huisdieren te verlagen. Of dat wel gezond voor ze is, zal onderzoek over enkele jaren moeten uitwijzen. Als de risico’s mee blijken te vallen en we in de toekomst daadwerkelijk onze viervoeters gaan overschakelen op plantaardig voedsel, blijft het een feit dat de 850 miljoen honden en katten op de wereld concurreren met mensen in ons voedselsysteem. Kunnen we ons die concurrentie überhaupt wel veroorloven in een wereld waarin 780 miljoen mensen dagelijks honger lijden?
Misschien moeten we het nog radicaler aanpakken en helemaal stoppen met huisdieren houden. Daarmee zouden we in een klap ook andere milieuproblemen aanpakken, zoals bodemvervuiling door hondenpoep en biodiversiteitsverlies door jagende katten. Is de tijd rijp om afscheid te nemen van onze viervoeters?
Bronnen:
- Infographics, Nederlandse Voedingsindustrie Gezelschapsdieren (2022). https://www.nvg-diervoeding.nl/nvg-kennisbank/feiten-en-cijfers/infographics/
- Martens et al. (2019). The Ecological Paw Print of Companion Dogs and Cats. Bioscience, 69(6).
- Knight (2023). The relative benefits for environmental sustainability of vegan diets for dogs, cats and people. PLoS ONE, 18(10).
- Miklósi (2015). The Emergence of Phenotypic Novelty. In: Dog Behaviour, Evolution and Cognition.
- Hewson-Hughes et al. (2011). Geometric analysis of macronutrient selection in the adult domestic cat, Felis catus. The Journal of Experimental Biology, 214, 1039-1051.
- Veldman (2018). Obesitas bij dieren. Vetscience.
Tekst: Lisa Dietz